Samenwerken in vier materiaalontwikkelingstrends

0

Thema: Materiaalinnovaties in de keten.

Bert van Haastrecht, programmamanager bij M2i, ziet dat de ontwikkelaars in Nederland hun inspanningen vooral richten op vier typen materialen. Het eerste zijn materialen die goed bestand zijn tegen extreme omstandigheden, zoals heel heet/koud, hoge radioactieve stralingsniveaus of druk. Zo is Tata Steel bezig met de ontwikkeling van steeds sterker en goed vervormbaar staal. M2i is zelf betrokken bij een onderzoekstraject met de TU Delft, TNO en maritieme bedrijven als Heerema, Allseas en Damen naar een hoge-sterkte staal-composietverbinding. En samen met het FOM-instituut Differ en de semicon-industrie start M2i onderzoek naar het effect van hoge stralingsniveaus en temperaturen op metalen als wolfraam, voor toepassing in kernfusiereactoren.

Materiaalkennis is in de hightech niet wijdverbreid, bevestigt Bert van Haastrecht van M2i. ‘Dit type onderzoek vergt vaak een lange adem, te lang voor de vaak kleine hightech ondernemingen.’

Een tweede gebied waaraan veel onderzoek wordt gedaan, zijn materialen voor 3D-printers. Zelf is M2i, samen met het Nederlands Lucht- en Ruimtevaartcentrum (NLR), TU Delft, Universiteit Twente en TNO, betrokken bij het onderzoek naar de ‘poederbedtechnologie’. Binnen het Fieldlab Additive Manufacturing van Havenbedrijf Rotterdam wordt vooral gesleuteld aan het ‘wirebased additive manufacturing’-proces, waarbij een lasrobot draadstructuren print, en aan de laserclad-technologie. Dat laatste proces werkt ook met poeders en is bij uitstek geschikt voor grote werkstukken. Diverse offshorebedrijven zijn geïnteresseerd in participatie. De samenwerking van Océ met onder meer Demcon is gericht op het met inkjettechnologie metaalprinten van ‘high-mix, low-volume’ elektronica. Het onderzoek naar 3D-kunststofprinten concentreert zich vooral in het Limburgse Brightland Materials Center (zie Link Magazine Southern Netherlands, april 2016), met grote bedrijven als DSM en start-ups als Xilloc.

De ontwikkeling aan dunne film, de derde trend, vindt vooral plaats in en rond Eindhoven, waar Solliance en Holst Centre zijn gevestigd. Daar wordt, samen met bedrijven als VDL Flow, Maan Group en Bosch Rexroth, gewerkt aan apparatuur die in hoog tempo en tegen relatief lage kosten geleidende of isolerende lagen op folie kan aanbrengen, geschikt voor toepassing in de solar- en halfgeleiderindustrie. De vierde ontwikkeltrend die Bert van Haastrecht ziet, betreft composieten. Die zijn lastig geautomatiseerd te verwerken, wat ze te duur maakt voor grootschalige toepassing in de automotive. Doorontwikkeling moet die hobbel gaan overwinnen.

De Nederlandse industrie loopt niet in alle vier trends voorop. ‘In dunnefilmproductie en stralingsbestendige materialen doen we aardig mee. Maar bij het ontwikkelen van 3D-printbare materialen lopen we achter op landen als België, Duitsland en de VS.’ Onze industrie bekleedt vooral in composietontwikkeling een internationaal sterke positie, meent Van Haastrecht. ‘Vezelproducent Teijin en polymerenfabrikant Sabic zijn ver in hun onderzoek naar verhoging van de betrouwbaarheid van de productie. Ook Airborne is daar ver mee; eindgebruikers uit vooral de maritieme wereld zijn hier nauw bij betrokken.’ Hij denkt dat meer aandacht voor slijtvaste composieten en andere materialen voor baggerpijpleidingen en -zuigkoppen de positie van bedrijven als Damen, IHC, Van Oord, Boskalis, DEME en Jan De Nul verder kan versterken. Verder werken in het project ‘Valorisatie Hightech Sector Composieten NH’ twaalf Noord-Hollandse hightech composietbedrijven en zes kennisinstellingen samen.

Share.

Reageer

CAPTCHA Image

Reload Image

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.