Oproep: meer industrie in de politiek

0

Bijlage bij de Link Magazine van april is de special Southern-Netherlands. Een Engeltalige uitgave want (ook) gericht op een internationale lezersgroep. Als ik me daarop oriënteer en me afvraag waarover die groep wil lezen, kom ik – vanzelfsprekend – op de kwaliteiten van de Nederlandse hightech industrie en wat partijen in de VS of Azië daaraan kunnen hebben. Natuurlijk denk ik dan – in de eerste plaats – aan de hoge nauwkeurigheid van de technologie en de wijze waarop die, in open ketensamenwerking, ontwikkeld en geproduceerd wordt. En hoe afnemers daarmee hun concurrentiepositie kunnen versterken.

Maar meteen daarna besef ik dat het óók moet gaan over de actuele impact van de huidige geopolitiek op die mondiale hightech waardeketens. En dat voelt meteen ongemakkelijk. Want ik weet: de industrie bemoeit zich daar niet graag mee. Zelfs niet in het huidige tijdsgewricht waarin de politiek zich – meer dan ooit – met de industrie bemoeit. Dat is deels ingegeven door de coronacrisis – ‘Europa mag voor beschermingsmiddelen niet langer afhankelijk zijn van productie elders’; ‘De farma mag geen vaccins exporteren als ze de leveringsafspraken met ons niet nakomt’- , maar deels ook door een ingrijpende verandering in de geopolitieke verhoudingen. De VS wil zijn no 1 (kennis=macht-)positie behouden, China wil die graag overnemen en de EU wil vooral blijven samenwerken, met beide partijen.

En dan gaat het in de interviews met industriële managers van multinationale bedrijven al gauw over het afbouwen van de afhankelijkheid van toelevering uit China, over het grote belang van het desalniettemin behouden van die enorme markt en derhalve het samenwerken met de klanten daar, over de onmogelijkheid om voorop te blijven lopen als je niet vrij bent de grootste talenten ter wereld samen te laten werken aan je innovaties en over het onrendabele van parallelle toeleverketens, eentje voor elk continent. Interessante gesprekken resulterend in mooie verhalen die echter lang niet altijd ongeschonden bij de eindredactie belanden. Want hun communicatiemanagers hebben als mantra: ‘Meningen geven we uitsluitend over onze technologie.’

In de vorige uitgave stond een interview met CDA-politicus Mustafa Amhaouch. En die verbaasde zich over het gebrek aan diversiteit in de Tweede Kamer. En – anders dan zijn naam doet vermoeden – had hij niet over meer mensen met een migratieachtergrond, maar over meer mensen met een industriële achtergrond. Amhaouch zelf werkte eerder voor ASML, zijn PVV-collega Tony van Dijck was ooit in dienst bij DOW, maar Eppo Bruins (CU) die zijn eigen kunststofbedrijf had, is inmiddels uit Den Haag vertrokken. De grote bulk van de (nieuwe) parlementariërs is afkomstig van NGO’s en werkgevers- en werknemersverenigingen, waren wethouder in een middelgrote stad, financieel consultant of bestuurder van een zorginstelling.

Het lijkt misschien mosterd na de maaltijd, zo kort na de onze nationale verkiezingen, maar we hebben nu wel even de tijd. En die is nodig voor het in beweging zetten van een bedrijfsculturele transformatie van een uitgesproken apolitieke, shareholders-gerichte houding, naar meer politiek geëngageerde Rijnlandse, stakeholder-gerichte (lees het nieuwe boek ‘Regisseer de keten’). Waarvoor ik bij deze, bij wijze van eerste, kleine stap, het startsein wil geven. Beste ondernemers – en dan richt ik me vooral op die van de grotere industriële bedrijven, die het kunnen lijden –, creëer een potje voor de politiek geëngageerde medewerker. Zodat die zijn of haar invloed in Den Haag kan doen gelden. Niet met een terugkeergarantie van een zuinige één jaar, zoals Amhaouch van ASML kreeg, maar met een ruimhartige van – zeg – vier jaar.

Martin van Zaalen
Hoofdredacteur Link Magazine

Share.

Reageer

CAPTCHA Image

Reload Image

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.