NMT roept politiek op onderzeeboten te laten ontwikkelen en bouwen door ‘eigen industrie’

0

In aanloop naar de Tweede Kamerverkiezingen wordt er veel gezegd en geschreven over Defensie-uitgaven en ook over de aanschaf van nieuwe onderzeeboten voor de Koninklijke Marine. Netherlands Maritime Technology roept politici nogmaals op om maximaal te kiezen voor de eigen industrie. ‘De Nederlandse maritieme industrie staat klaar om met hun unieke onderzeebootkennis maximaal bij te dragen aan de ontwikkeling van de vervangers van de Walrusklasse.’

Defensie Industrie Strategie

Defensie schreef in 2018 in de Defensie Industrie Strategie (DIS) dat men ‘bij de aanschaf van toekomstig materieel het beste product voor de beste prijs’ wil, ‘met een zo groot mogelijke betrokkenheid van het Nederlandse bedrijfsleven’. Het kabinet zegt rekening te houden ‘met de kennis en industriële basis waar Nederland over beschikt’. In de DIS, een officieel beleidsstuk, staat: ‘Instandhouding en diensten maken deel uit van de basis die nodig is voor de bescherming van nationale veiligheid. Het kunnen waarborgen van deze belangen vraagt kennis, technologie en industriële capaciteiten om een zekere autonomie van handelingsvermogen te behouden. Het bedrijfsleven en kennisinstellingen helpen Defensie hier bij’.

Tweede Kamer: kies voor zelfscheppend Nederlands marinebouwcluster

Niet alleen het kabinet, maar ook de Tweede Kamer pleit voor maximale inzet van de eigen industrie. Zo werd in februari 2019 door het CDA en de VVD een motie ingediend (en met ruime meerderheid aangenomen) over het belang van samenwerking binnen de Gouden Driehoek (Defensie, kennisinstituten en industrie) in alle cruciale fasen van het proces. Daarna volgden nog vele debatten en moties waarin de Tweede Kamer het belang van daadwerkelijke betrokkenheid van de industrie onderschreef.

Zo werd op 30 november 2020 een motie ingediend door de SGP, waarin de regering wordt opgeroepen om optimaal gebruik te maken van het ‘zelfscheppende Nederlandse marinebouwcluster om het nationaal veiligheidsbelang en de strategische autonomie voor de onderzeebootcapaciteit te bestendigen en te bevorderen’. De motie werd medeondertekend door de VVD, het CDA, de ChristenUnie, de PVV, de PvdA en FvD. Deze motie werd dus ook ondersteund (en aangenomen) door een ruime meerderheid van de Tweede Kamer.

Betrekken van maritiem bedrijfsleven blijkt lastig

De ruime steun in de Kamer heeft tot op heden niet geleid tot het maximaal betrekken van het Nederlandse bedrijfsleven. Op 18 februari van dit jaar verscheen hierover een kritisch artikel op Marineschepen.nl. De strekking van het artikel is dat het ministerie van Defensie zegt te streven naar een zo groot mogelijke betrokkenheid van het Nederlandse bedrijfsleven, maar dat lijkt in de praktijk toch anders uit te pakken. Defensie praat namelijk nog met drie hoofdaannemers en dat heeft als gevolg dat toeleveranciers voor drie werven teams van specialisten op moeten tuigen. Dat heeft niet alleen zeer hoge kosten voor bedrijven tot gevolg, maar ook de zekerheid dat het werk van twee van de drie teams uiteindelijk verloren gaat. En dat terwijl de bedrijven daar niet voor worden gecompenseerd. Bovendien hebben zeker de kleinere bedrijven niet de capaciteit om drie teams van experts op te tuigen. Daar komt nog bij dat hen wordt gevraagd bedrijfsinformatie te delen met drie hoofdaannemers, terwijl zij met twee van de drie helemaal niet gaan samenwerken.

Nederlandse ‘Gouden Driehoek’ heeft zich bewezen

Op 24 februari publiceerde het Dutch Underwater Knowledge Center (DUKC) de notitie ‘Vroegtijdige deelname aan ontwerpfase is van levensbelang’. DUKC is een kennisplatform binnen de Nederlandse Industrie voor Defensie en Veiligheid (NIDV), die staat voor het behoud van onderwatertechnologie en die zich inzet om deel te nemen aan het project ‘Vervanging onderzeebootcapaciteit’. De bedrijven benadrukken dat de Gouden Driehoek van defensie, kennisinstituten en industrie in het verleden in staat is geweest ‘om de Walrusklasse onderzeeboten beter, sneller en goedkoper voor te bereiden voor hun nieuwe taken én een hogere beschikbaarheid te realiseren dan vergelijkbare boten uit het buitenland’. Volgens hen is de volle participatie van de Nederlandse industrie vanaf de ontwikkeling dan ook onmisbaar voor de operationele- en instandhoudingspraktijk en de strategische autonomie van de onderzeedienst.

DUKC schrijft dat ‘binnen onze sterke maritieme industrie de kennis en kunde voor de meeste relevante deelgebieden van een onderzeebootproject nog altijd aanwezig zijn. Veel bedrijven zijn in staat geweest om onderzeeboottechnologieën te exporteren en toe te passen in andere (maritieme) omgevingen. Denk bijvoorbeeld aan de technologieën achter emissieloos varen. Die vinden hun oorsprong in o.a. de elektrische voorstuwing van onderzeeboten’. Als we volgens DUKC ‘nu niet meedoen in de ontwikkeling van de toekomstige onderzeeboten komen we nauwelijks meer aan bod bij de bouw en instandhouding. Daarmee wordt Defensie in hoge mate afhankelijk van beschikbare kennis en kunde uit het buitenland. Dit zal leiden tot een onnodige en ernstige aantasting van de strategische autonomie’. De onderwaterbedrijven gaan bovendien in op de economische spin-off van de ontwikkeling en bouw van de onderzeeboten: ‘De defensie-investeringen en de verduurzaming van de Nederlandse vloot geven de sector een mooi toekomstperspectief met een groei in high tech banen, van ingenieur tot monteur’.

Politieke steun, maar beperkte Nederlandse strategische inbreng dreigt

Ook het CDA ziet dat het betrekken van Nederlandse marinebouwindustrie bij de onderzeebotenorder zeer moeizaam gaat en heeft daar op 25 februari kritische Kamervragen over gesteld. In het Noordhollands Dagblad betoogt Tweede Kamerlid Martijn Van Helvert dat met de huidige gang van zaken ‘de kans aanzienlijk is dat er weinig strategische inbreng aan boord komt en dan dreigt de praktijk heel anders uit te pakken dan de wens van een zo groot mogelijke betrokkenheid van het Nederlandse bedrijfsleven’. In het Nederlands Dagblad van 27 februari krijgt het CDA steun. Meerdere partijen roepen een volgend kabinet op om haast te maken met de aanschaf van de nieuwe onderzeeboten en wel met een zo Nederlands mogelijke inbreng.

Wel woorden, geen daden

In het verkiezingsprogramma van de VVD staat: ‘Ook dienen we vaker een beroep op nationale veiligheid te doen om van de Europese aanbestedingsregels af te wijken en onze eigen kennisindustrie te stimuleren, zoals bij de aanschaf van marineschepen en innovatieve producten van defensiebedrijven in het mkb’. In het Defensiedebat van Elsevier Weekblad pleitte ook de PvdA voor samenwerking binnen de Gouden Driehoek en vooral om te investeren in waar we goed in zijn, zoals maritieme techniek. Volgens de partij is het vanuit het veiligheidsaspect van belang om de kennis van het bedrijfsleven en Defensie aan elkaar te koppelen.

Als NMT kunnen we niet anders concluderen dan dat er brede steun is voor de aanschaf van de nieuwe onderzeeboten én dat veel partijen oproepen tot het maximaal betrekken van het Nederlandse marinebouwcluster. Maar helaas blijft het tot nu toe bij een nobele oproep, zonder dat echt de daad bij het woord gevoegd wordt.

Wat wil NMT?

Net als veel partijen in de Tweede Kamer, pleiten wij voor het maximaal betrekken van de Nederlandse maritieme industrie bij de ontwerpfase van de onderzeeboten, omdat:

  1. De in Nederland aanwezige kennis van onderzeeboottechnologie zich heeft bewezen bij de succesvolle instandhouding en update van de Walrusklasse, met internationaal hooggewaardeerde boten als gevolg.
  2. Als we de Nederlandse maritieme industrie nu betrekken, kunnen zij straks ook bij het onderhoud, de instandhouding en de upgrade van de onderzeebootdienst hun strategische bijdrage (blijven) leveren. Zo wordt Nederland niet afhankelijk van het buitenland voor de instandhouding van de onderzeeboten. Afhankelijkheid van het buitenland leidt tot hogere kosten en het verdwijnen van onze strategische autonomie.
  3. De onderzeebootkennis is nu nog in huis en heeft in het verleden geleid tot spin-off in de vorm van export van kennis en technologie en het toepassen van duurzame technologieën in de commerciële vaart.
  4. Het betrekken van de Nederlandse maritieme industrie leidt tot een groei van banen, van engineers tot de vakmensen op het schip.

 

Share.

Reageer

CAPTCHA Image

Reload Image

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.