Ook Nederlandse bedrijven kunnen profiteren van digital manufacturing-beleid VS

0
Voor de technologische industrie is de wereld de markt. De belangrijkste exportbestemming is Duitsland. Slechts zeven procent van de export gaat naar Noord-Amerika, blijkt uit FME-onderzoek. Dat, terwijl de Verenigde Staten als grote, stabiele groeimarkt vormen. Met name het Middenwesten lijkt een geschikt startpunt. Niet toevallig heeft ons land er een consulaat en zijn er al de nodige industriële ondernemers neergestreken. Een inventarisatie van de kansen en uitdagingen aldaar. ‘Als we niet Amerikaans zouden zijn was hij naar de concurrentie gegaan.’
 
Het Consulaat Generaal in Chicago vormt voor Nederlandse industriële bedrijven niet alleen de brug naar Chicago, maar naar de gehele Middenwesten regio van de VS. Het BNP van deze regio van veertien staten staat op de vierde plek in de wereldranglijst, tussen Japan en Duitsland in. De staat Illinois is de vijfde grootste economische staat van de VS, met een BNP vergelijkbaar met dat van Zwitserland. Goed vertegenwoordigd in dit grote gebied zijn de maakindustrie (met name metaal, machinebouw, medische apparatuur, automotive en aerospace), naast sectoren als agro, food en foodtechnologie, horticultuur, en chemie.
 
National Network for Manufacturing Innovation
Activiteiten die de maakindustrie naar een hoger niveau te trekken worden sterk gepromoot en gesubsidieerd door de federale overheid, onder andere via het National Network for Manufacturing Innovation (NNMI) met de oprichting van specialistische instituten zoals het Digital Manufacturing and Design Innovation Institute (DMDII, zie kader) in Chicago. Dat moet een impuls geven aan de samenwerking tussen het bedrijfsleven, onderwijs- en onderzoeksinstellingen, om samen tot innovaties te komen. Ook Europese bedrijven zijn welkom in te stappen, op voorwaarde dat ze een Amerikaanse vestiging hebben. In het algemeen, stelt Stephan van de Wall, Hoofd Economische Afdeling van het Nederlandse Consulaat Generaal in Chicago, kan je het beste zaken in de VS doen in het land zelf en niet vanuit Nederland. ‘Zit je eenmaal hier, met eigen vestiging of samenwerking met een Amerikaans bedrijf, dan is de markt groot. De Amerikaanse maakindustrie kan zeker de geavanceerde technologieën uit Europa gebruiken. Onze kennis van en ervaring met geavanceerde materialen, machinebouw, duurzaam produceren en digitalisering is van waarde hier – door de relatief lage lonen moeten veel Amerikaanse industriële bedrijven nog überhaupt met automatiseren beginnen. Nederland heeft ook een sterke agro & food machinebouw, waar de VS een goede afzetmarkt voor is.’ Om die kansen te pakken, benadrukt hij, moet er wel strategisch geïnvesteerd worden, door bedrijven én de overheid. 
 
Nederlands paviljoen
Aan dat laatste wordt inmiddels gevolg gegeven: na deelname van het consulaat, in samenwerking met de Metaalunie, aan de International Manufacturing Technology Show (IMTS) 2014, en recent aan de Fabtech 2015 (waar bedrijven als De Vlamboog, Ultimaker, Cordstrap, Euroboor, Fontijne, Safan-Darley, Voortman en Wemo aan deelnamen), staat voor volgend jaar september deelname aan de IMTS 2016 op het programma, met een Nederlands paviljoen op het Industrial Supply North America deel van de IMTS, plus een stand op de IMTS zelf. Stephan van de Wall hoopt dat deze strategie de daaropvolgende jaren kan worden doorgezet. Temeer daar Europese landen zoals Duitsland en Italië veel meer mankracht stoppen in het lobbyen en bruggenbouwen voor hun industrie in het Middenwesten. Die landen hebben met hun handelskamers met tientallen medewerkers een veel grotere slagkracht.TTIP ‘In het bijzonder de Duitse maakindustrie heeft – terecht – aangegeven in de VS te willen investeren, juist vanwege de duurzame groeiverwachtingen hier (door relatief lage lonen, lage energiekosten en stabiele dollar, zie onder andere Global Manufacturing Competitiveness Index Deloitte, red.).’ 
Die focus op de VS van die landen wordt bevestigd tijdens een bijeenkomst medio november in het centrum van Chicago, over het Transatlantic Trade & Investment Partnership (TTIP), het vrijhandelsverdrag waarover de VS en de EU al een aantal jaren onderhandelen. Dit event werd georganiseerd door de Amerikaanse Trans-Atlantic Business Council (TABC) met ondersteuning van het Britse consulaat en de Duits- en Pools-Amerikaanse handelskamers. 
 
keykegEen bedrijf met een eigen vestiging in de VS is Lightweight Containers. Momenteel legt de onderneming de laatste hand aan een lijn voor de productie van hun KeyKegs, lichtgewicht fusten waarin wijn of bier weken langer goed blijft dan in de zware metalen fusten, die na gebruik als plastic gerecycled kunnen worden en niet retour brouwerij hoeven. Al enige tijd had de onderneming ook een verkoopvestiging in de ‘voor ons zeer belangrijke Noord-Amerikaanse markt’, maar om goed voet aan de grond te krijgen gaat het de KeyKeg daar ook produceren. Om precies te zijn in de buurt van Chicago vanwege de centrale ligging van die regio, met goede logistieke verbindingen vanuit Europa (voor toelevering van bepaalde onderdelen) en naar de andere delen van de VS en Canada, aldus directeur Jan Veenendaal. De productie wordt ondergebracht binnen een bestaand productiebedrijf, Logoplaste, om niet direct ook de personeelssores te hebben. ‘En zij beschikken over een goede supply chain. Produceren is hun kracht, vermarkten de onze.’
 
Buy American
Maar dan telt voor Lightweight Containers wel dat voordeel van het in Amerika zelf produceren. ‘Buy American’, is hier echt een issue’, vertelt Andrew Enschedé van GT Law in vloeiend Nederlands. Hij is een advocaat van Nederlands-Amerikaanse afkomst die Jan Veenendaal cs. begeleid heeft de productiestap naar de VS te maken. Waar precies je in dat enorme land je het best kunt vestigen is natuurlijk in de eerste plaats afhankelijk van waar de afzetmarkt en leveranciers zitten. In de Chicago-regio geldt dat dus met name voor  sectoren als de food en foodtechnologie, de machinebouw en de chemie. Maar er is ook nog een culturele reden. ‘Behalve in Boston, met zijn historie en Europese uitstraling is juist Chicago voor Nederlanders aantrekkelijk. Het is hier makkelijk en mooi wonen met veel ruimte en een prettige manier van leven. Natuurlijk moet je ook hier hard werken, maar veel minder extreem dan in New York’, weet Enschedé: ‘Hier is het wat relaxter. Nee, de VS is zeker niet één cultuur. Of je in Detroit woont of in Milwaukee maakt een groot verschil.’ 
 
Deleware corporation
Waar je als ondernemer in de States ook terecht komt, je moet er rekening mee houden dat niet alleen de mentaliteit per staat anders is, ook de wetgeving kan fors verschillen. ‘In Europa bestaat bij velen het idee dat de VS veel samenhangender is dan de EU, maar door de harmonisatiewetgeving in Europa zijn standaarden en certificeringen voor de hele unie dezelfde. Hier is ook sprake van een grote mate van harmonisatie is, maar elke staat heeft haar eigen grondwet en ook haar eigen belastingregels en zijn er steeds weer andere regels voor het afsluiten van contracten en verzekeringen.’ 
Maar, voegt hij er aan toe, de keuze voor een rechtsvorm voor de onderneming is eenvoudig: ‘Richt een Deleware Corporation op die als een buitenlandse corporation zaken mag doen in de staat waar je gevestigd bent. Dan kun je van de beste uitgewerkte rechtspraak gebruikmaken, gehandhaafd door de best geschoolde rechters die altijd veel oog hebben de belangen van de ondernemer.’ 
Voorts telt dat je als Deleware Corporation laat zien dat je een belangrijke speler bent – de helft van de Fortune 500 is een Delaware corporation.  En ook vanwege de ‘transferpricingsregels’ is het meestal beter om gevestigd te zijn in een staat waar dit soort onderwerpen met grote regelmaat ter sprake komt.  Hij legt uit: ‘Als je vanuit de Nederlandse BV bijvoorbeeld managementdiensten verleent aan je Amerikaanse vestiging, dan kun je die daarvoor laten betalen. Die omzet valt dan onder het relatief gunstige Nederlandse belastingstelsel.’ 
 
Niet minder belasting
Waarop hij maar meteen een tweede populair Nederlands vooroordeel onderuit haalt: als privépersoon betaal je vaak in de VS niet minder belasting dan in Nederland, zeker niet als je daarbij de hoge kosten van basisvoorzieningen als de ziektekostenverzekering betrekt.  En een derde: ‘Met de claimcultuur hier valt het hard mee. Iedereen in Europa kent natuurlijk het voorbeeld van de kat in de magnetron, maar dat zijn de grote uitzonderingen. Als je als ondernemer hier een gewoon goed product op de markt wilt gaan brengen – en waarom niet, dáár kun je het meeste geld mee verdienen – dan heb je hier nauwelijks wat te vrezen. Ik begeleid inmiddels vijftien jaar Nederlandse ondernemingen de Amerikaanse markt op en nog niet één heeft dusdanig problemen met claims gekregen dat die het voortbestaan van het bedrijf bedreigde.’
Wel hebben ondernemingen, afhankelijk van de sector waar ze in zitten, nog met allerlei certificeringsregels te maken. Dat geldt vanzelfsprekend in sterke mate voor de food, maar nog meer voor de medische technologie en de pharma: ‘Over het algemeen genomen is het certificeringstraject hier langer dan in Europa.’
Ook daarom is het voor Jan Veenendaal van Lightweight Containers een voordeel dat hij de KeyKeg niet zelf in de VS produceert. ‘De klep en de binnenzak, de twee delen die met het product in aanraking komen, worden ons toegeleverd door twee fabrikanten die zelf zorgen voor de wereldwijde certificering. Die is in elke regio anders; in de VS moet het FDA-approved zijn. Ook het productieproces in Chicago moet gecertificeerd worden. Het geschikt maken voor de VS met UL-certificering vergt een intensief traject dat door de leverancier van de assemblagelijn – Total Productivity – is geregeld.’
 
Betalen voor kwaliteit
Een ander bedrijf met ambities in de VS is Hembrug. Vandaar dat het vorig jaar aanwezig was op de IMTS. Het Haarlemse bedrijf ontwikkelt en bouwt hoognauwkeurige, oliehydrostatisch gelagerde draaimachines en brengt die sinds 2003 ook op de Noord-Amerikaanse markt. Inmiddels heeft het daar een significante installed base. Met name de laatste jaren is dat aantal gegroeid door de investering die gedaan is in de verkooporganisatie. Momenteel beschikt het over acht vertegenwoordigers verspreid over het land, onder aansturing van de area sales manager Bill Alexander. ‘Het succes op de Amerikaanse markt is in de eerste plaats te danken aan de kwaliteit van de machines die wij leveren. Voor dit type van draaimachines, met hun hoge en blijvende nauwkeurigheid en betrouwbaarheid, hebben wij hier hooguit één concurrent.’ Vanwege die betrouwbaarheid is het voor de klant geen al te grote hindernis dat de machines uit Europa moeten komen. De invoerrechten van 4,25 procent die over de draaimachines betaald moeten worden zijn niet echt een probleem. ‘De klant is bereid voor onze precisie en betrouwbaarheid tien tot twintig procent meer te betalen dan voor traditioneel gelagerde draaimachines. Lastig is wel dat de elektrificatie in de VS anders is dan de EU, want dat betekent dat we andere elektromotoren moeten inbouwen om de machine hier geaccepteerd te krijgen. Veiligheid is geen probleem. De Europese CE-normen op dat vlak zijn strenger dat die Amerikaanse UL.’  
Voor een eigen vestiging is Hembrug in de VS nog te klein. ‘Maar’, weet Alexander, in het algemeen geldt voor machinebouwers dat je met het kunnen garanderen van local support veel klanten over de streep trekt. En als je dan een regio moet kiezen zou ik gaan voor het centraal gelegen Middenwesten met zijn omvangrijke maakindustrie en centrale ligging.’
 
Goede toeleverketen
Die eigen vestiging heeft het Achterhoekse Claymount wel. ‘Dat we in de VS zitten en op onze producten ‘made in de USA’ kunnen zetten is echt een groot voordeel. Vanmorgen had ik nog een klant aan de lijn: als we niet Amerikaans zouden zijn was hij naar de concurrentie gegaan’, vertelt Jan Willem Overman, general manager van de vestiging in een van de suburbs van Chicago. De fabrikant van modulen en componenten voor röntgenapparatuur voor vooral medische doeleinden heeft sinds 1987 in Illinois een verkoopvestiging en, sinds een overname een aantal jaren geleden, daar ook een ontwikkel- en productievestiging. De overname bracht twee sterktes bijeen, aldus Overman: ‘Wij hadden in al onze verkoopjaren in de VS een groot klantenbestand opgebouwd. Het overgenomen bedrijf had juist een beperkt aantal klanten, maar een voor ons interessant product, een inonisatiekamer, die goed aansloot bij onze portfolio. Daarvoor beschikte het ook  over ervaren en goed opgeleid personeel en een betrouwbare supply chain. Voor het productiewerk hebben we mbo’ers nodig en voor het ontwikkelwerk hbo’ers en die zijn hier genoeg voorhanden, tegen salarissen die vergelijkbaar zijn met die in Nederland. Die toeleverketen wordt gevormd door met name metaalverwerkende en elektronicabedrijven. Daarvan zitten er hier binnen een straal van twintig, dertig kilometer genoeg.’
 
Autoriteitsgevoeliger
De omgang met dat personeel is voor Overman wel even wennen geweest: ‘Personeel is hier wat autoriteitsgevoeliger. Niet zo vreemd als je weet dat je in deze staat zonder opgaaf van redenen van de ene op de andere dag ontslagen kan worden. Die mentaliteit was voor mijn wennen, omdat ik graag weet wat mijn mensen voor een verbeteringsmogelijkheden zien. Ik zit hier nu anderhalf jaar en begint dat wel wat te veranderen.’ Lastiger kunnen de overheden zijn:  ‘Voor belastingen en vergunningen moeten er altijd veel formulieren ingevuld worden en zijn er veel stempels nodig.’  Een meevaller is voor hem de claimcultuur. Eigenlijk heeft Overman daar nog niets gemerkt. ‘Ook van collega’s of van andere bedrijven waar we mee werken heb ik nog geen voorvallen vernomen. Het lijkt dus allemaal wel wat opgeblazen.’ 
Klanten heeft Claymount ook wel in de eigen Chicago-regio, maar vooral daarbuiten: ‘Het Middenwesten is een goede plek om te zitten: met het vliegtuig is heel het land in een paar uur bereikbaar. Een klein percentage van onze producten zetten we af in de VS, overal in het land. Dit is toch echt de grootste medische technologie markt.’ De rest gaat de hele wereld over, ook naar Europa. ‘We zijn hier nu onder meer bezig met een ontwikkel- en productieopdracht voor  een grote medische oem  in Hamburg. Alles bijeen produceren we hier jaarlijks ruim 6000 kamers waarmee we een stabiele groeitrend doormaken.’ Vanwege al dat grensoverschrijdende handelsverkeer heeft Claymount met meerdere certificeringsinstanties te maken voor zijn medische technologie. In Japan met de PMD, in Europa met de CE en in de VS met de FDA, die elk hun eigen eisen stellen. ‘Meer harmonisatie zou mooi zijn. Maar als het gaat om investeringsbescherming heb ik niet het idee dat je hier verkeerd zit. Overeenkomsten worden hier grondig in contracten vastgelegd. Daardoor kun je je IP goed beschermen, belangrijk want wat wij leveren is allemaal eigen ontwikkeling. Pas wel op dat je bij afspraken met grote oem-klanten niet tekent voor het weggeven van je IP. Maar, mijn ervaring, als je het goed motiveert, kom je daar altijd met hen uit. Ik ben daardoor nog geen opdrachten kwijt geraakt.’
 
Voor meer informatie over de kansen in het Middenwesten VS, neem contact op met chi-ea@minbuza.nl.
Meer informatie over de betekenis van het TTIP voor de Nederlandse industrie in de februari-uitgave (publicatiedatum 12 februari).
 
 
Workforce development belangrijkste doelstelling
Als het gaat om digital manufacturing (Amerikaans voor wat bij ons smart industry heet) heeft de Amerikaanse industrie, net als die in Europa en elders in de wereld nog een aantal stappen te maken. Volgens cijfers van Rockwell Automation, een van de automatiseringsbedrijven die zich sterk maakt voor de digitalisering van de industrie, is slechts 14 procent van alle productiemachines en –apparatuur op de wereld aangesloten op het internet. Alleen dan is het mogelijk uit alle fases van de product lifecycle, van ontwerp tot en met onderhoud en service, data te vergaren waarmee beslissingen genomen kunnen worden om die producten goedkoper, sneller, duurzamer  en kwalitatief beter te produceren. De Obama-regering richtte daarom een aantal jaren geleden het National Network for Manufacturing Innovation (NNMI) op. Daaruit zullen in totaal negen instituten ontstaan, waarvan één specifiek gericht op het ontwikkelen en verbreiden van digital manufacturing: het Digital Manufacturing and Design Innovation Institute (DMDII), sinds dit voorjaar ondergebracht in het splinternieuwe UI Labs in Chicago. 
De federale overheid heeft zeventien miljoen dollar in DMDII geïnvesteerd, met de bedoeling het te laten matchen met geld van de industrie. Binnen enkele maanden had het ‘team van Chicago’, onder de leiding van CTO William King van The Illinois University, 140 miljoen euro aan bijdrage van het bedrijfsleven vergaard en kreeg Chicago dit instituut van ‘Washington’ toegewezen. Onder de sponsors grote jongens als Siemens, P&G, Caterpillar en Rolls Royce, maar ook vele kleine ‘pap-en-mam’ bedrijven. ‘De grote bedrijven betalen 1 miljoen dollar per jaar, de kleinere slechts 500 dollar. ‘Want we willen de drempel laag houden, juist voor al die bedrijven die zo belangrijk zijn voor de toeleverketen’, aldus Jason Harris, director marketing & communications van UI Labs. 
Inmiddels is er al 300 miljoen dollar door de lidbedrijven bijeen gebracht. Geld dat gestoken wordt in onderzoek waarmee het gat gedicht moet worden tussen het meer fundamentele onderzoek enerzijds en de vercommercialisering anderzijds. Om zo die analoge industrie te transformeren naar een digitale. Zo is er een project gaande dat het gebruik van Google Glass-achtige technologie de fabriek in moet brengen: ‘Er zijn verschillende technologie en die zullen meer gestandaardiseerd moeten worden. Vervolgens kan die technologie een plek krijgen in de fabriek zodat bijvoorbeeld onderhoudsmensen door de glazen van hun bril de onderdelen aangeduid krijgen die vervangen moeten worden aan de machine waarmee ze bezig zijn, inclusief een uitleg over de montage. In deze en andere projecten (zie dmdii.org/projects, red.) gaat het steeds om technologie die er al is maar nog geschikt moet worden gemaakt voor de industrie. Vervolgens is het zaak dat de ondernemers en hun mensen die technologie ook gaan gebruiken. Workforce development is de belangrijkste doelstelling van dit instituut’, aldus Harris, wijzend op een ruimte vol met zeer moderne productieapparatuur (inclusief een twaalf-assige(!) freesmachine) waar medewerkers van aangesloten bedrijven zelf kunnen ervaren wat het betekent om met die nieuwe technologie te werken. ‘Nederlandse bedrijven kunnen ook meedoen in DMDII mits ze over een Amerikaanse vestiging beschikken’, verzekert Harris. 
Share.

Reageer

CAPTCHA Image

Reload Image

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.