Een hoger concurrentievermogen, dankzij of ondanks het Topsectorenbeleid?

0

Eind september bleek dat Nederland op de ranking van het ‘The Global Competitiveness Report 2016-2017’ van het World Economic Forum gestegen is naar de vierde plaats, hoger dan ooit. Een van de factoren die het concurrentievermogen van ons land positief beïnvloedt is Topsectorenbeleid, aldus de WEF. Verrassend, want binnenlands is dat beleid vaak bekritiseerd. Er zouden teveel topsectoren zijn hebben waardoor er te weinig focus is. Het zou te weinig gericht zijn op de grote maatschappelijke problemen, vooral geld doen vloeien naar de grote bedrijven en niet leiden tot een stijging van de private R&D-uitgaven. En het zou te zeer gericht zijn op het stimuleren van technologische innovatie. Dat terwijl sociale innovatie doorslaggevend is voor het succes van innovatieve bedrijven, maar daarvoor nauwelijks stimuleringsgelden beschikbaar zijn.
Die laatste kritiek is gebaseerd op onderzoek uit 2014 van prof. Henk Volberda van de Erasmus Universiteit. Dezelfde hoogleraar die met zijn onderzoeksinstituut INSCOPE al sinds jaar en dag verantwoordelijk is voor het aan de WEF toeleveren van cijfers over Nederland. Volberda: ‘Voorheen scoorde Nederland altijd goed op voorzieningen als infrastructuur, gezondheidszorg en effectiviteit van de arbeidsmarkt. Maar nu scoren we plots ook op innovatievermogen veel beter. Uit een rondvraag onder managers van grote en kleine bedrijven blijkt alom dat de samenwerking met de kennisinstellingen veel beter verloopt. Het kan niet anders dan dat het Topsectorenbeleid daaraan heeft bijgedragen. Dat beleid is – anders dan het top-down-gerichte Innovatieplatform waarmee de industrie het eerder moest doen – bottom-up ingericht, met ook veel mogelijkheden voor het mkb en startups om ervan te profiteren. De kennisnetwerken die inmiddels zijn ontstaan zijn nu krachtig. Ook is er meer oriëntatie op de societal challenges die de EU in haar Horizon 2020-progamma centraal heeft gesteld. Blijkbaar had het Topsectorenbeleid veel tijd nodig alvorens het effect sorteert.’
Het is echter niet zo dat dat beleid ook gezorgd heeft voor een stijging van de private investeringen in R&D. ‘Hooguit marginaal. Maar op dat punt zie je wel een verschil tussen de sectoren onderling. Binnen het goed georganiseerde Hightech Systemen & Materialen investeren bedrijven tegenwoordig veel meer in onderzoek. In Logistiek daarentegen vallen die investeringen tegen’, aldus Volberda die pleit voor een verbreding van het werkingsgebied van het beleid: ‘In de logistiek loopt de werkgelegenheid snel terug. Juist door ook sociale innovatieprojecten te ondersteunen zou het Topsectorenbeleid kunnen bijdragen aan het creëren van nieuwe werkgelegenheid. Met de start van een fieldlab op dat terrein heeft EZ al een eerste stap gezet.’

Wat de regio’s betreft moet er echter nog meer aan dat Topsectorenbeleid gesleuteld worden, maakt gedeputeerde van Gelderland, Michiel Scheffer duidelijk. In een ingezonden brief eind augustus in Trouw stelden hij en zijn collega-gedeputeerden van Brabant en Overijssel dat beleid als ‘knellend’ te ervaren. ‘Industriebeleid vraagt om een lange adem en meer ruimte op regionaal niveau om samenwerking vorm te geven. We willen kunnen kiezen voor regionale sterktes binnen Europese allianties. Zuidoost-Nederland wil de ruimte hebben om te kunnen investeren, ook via nieuwe instrumenten zoals het Junckerfonds en het Nederlands Investeringsagentschap. We willen meer regionale vrijheid voor samenwerking tussen onderwijs en ondernemers. Geef de regio’s de ruimte en wij geven de vierde industriële revolutie ervoor terug’, aldus de drie provinciebestuurders.
In een toelichting geeft Scheffer aan dat het concurrentievermogen van Zuidoost-Nederland verder omhoog kan als het Topsectorenbeleid ook ruimte zou bieden aan het investeren in ‘crossovers’. ‘Zo hebben we geïnvesteerd in een datamining-project van Radboud UMC en Google waarin Parkinsonpatiënten online gemonitord worden, om zo hun behandeling te verbeteren. Hier komen twee sectoren, de zorg en de ict, samen, maar dat soort crossoverprojecten passen niet in het huidige beleid. Voorts is het beleid er onvoldoende op gericht dat innovatiestimulering leidt tot werkgelegenheid op mbo-niveau, waaraan in deze regio juist behoefte is.’ Tenslotte constateren Scheffer cs. dat de rol van de overheid als launching customer niet genoeg uit de verf komt: ‘Het is heel zinvol om samen te werken met andere Europese regio’s als binnen de Vanguard-alliantie, omdat in Nederland alleen vaak niet genoeg kritische massa is. Tegelijk maak zo’n setting het mogelijk dat, voor bijvoorbeeld dat dataminingproject, de Schotse overheid als launching customer optreedt, omdat in Schotland – anders dan hier – de overheid de zorg inkoopt. Andersom kunnen Nederlandse overheden weer als launching customer optreden voor Europese projecten op het gebied van waterzuivering of wegenbouw. Dat type grensoverschrijdende samenwerking ondersteunt het Topsectorenbeleid niet.’
Inmiddels hebben de drie bestuurders een reactie van EZ-minister Henk Kamp ontvangen die aangaf de regio’s nadrukkelijker te willen betrekken bij het opstellen van het Topsectorenbeleid 2.0 . ‘Zo gaan we bekijken hoe onze EFRO-gelden aangevuld met nationale MIT-gelden beter ingezet kunnen worden voor het ondersteunen van die crossovers en zo werk te maken van innovatie.’

Share.

Reageer

CAPTCHA Image

Reload Image

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.