Henk Volberda adviseert nieuwe kabinet topsectorenbeleid voort te zetten

0

Hoewel er nog steeds veel kritiek is op het Nederlandse topsectorenbeleid heeft het volgens prof. Henk Volberda tezamen met de sterke ontwikkeling van regionale innovatie hotspots in Nederland (Eindhoven, Twente en Amsterdam) bijgedragen aan een uitzonderlijk innovatief ecosysteem: ‘Zonder het gevoerde topsectorenbeleid zou Nederland nooit de 4de plaats hebben bereikt op gebied van innovatie en geavanceerdheid van het Nederlandse bedrijfsleven.’ De hoogleraar van het Erasmus Centre for Business Innovation van Rotterdam School of Management, Erasmus University (RSM) stelt dit bij de presentatie van het Global Competitiveness Report 2017-2018 van het World Economic Forum waarvoor onder zijn leiding de gegevens over Nederland zijn verzameld.  Nederland heeft daarin de 4e plek weten te behouden en neemt nog altijd de koppositie in de Europese Unie in. De jaarlijkse graadmeter van internationaal concurrentievermogen is uitgevoerd onder 137 landen.

Henk Volberda motiveert zijn pleidooi voor het topsectorenbeleid verder met: ‘De samenwerking tussen universiteiten, bedrijfsleven en overheid is in de verschillende topsectoren de afgelopen 5 jaar sterk verbeterd (5de positie). Was er tien jaar geleden nogal wat weerstand binnen universiteiten hun kennis te valoriseren; dat is nu niet meer het geval. Uit de survey die wij onder sleutelfiguren in de industrie gehouden hebben blijkt dat zowel ondernemers van corporates als het mkb veel positiever denken over de samenwerking. Er is meer afstemming en er zijn meer bottom-up initiatieven en er is ook meer open innovatie. Dat alles is zeker mede het resultaat van het topsectorenbeleid dat sterk op het stimuleren van die samenwerking inzet. Positief is ook dat minister Kamp over een lange periode  aan dat beleid heeft vastgehouden.’

Uit het rapport blijkt ook dat de kwaliteit van Nederlandse wetenschappelijk onderzoeksinstituten  van wereldniveau (4de positie) is. ‘En Nederland is een broedplaats voor nieuwe kennis, blijkend uit de 9e positie op het aantal ontwikkelde patenten in Nederland in relatie tot het aantal inwoners. Het innovatievermogen van bedrijven is significant toegenomen (6depositie) en ook de investeringen in R&D trekken eindelijk weer aan.’ Wat dat laatste betreft zit Nederland nog niet in de absolute top: landen als Zwitserland en ook Duitsland investeren privaat en publiek veel meer in onderzoek en ontwikkeling.

Ander belangrijke bevindingen uit het rapport:

Nederland heeft de koppositie in de Europese Unie weten te behouden door zijn sterke basis (investeringen in infrastructuur en gezond macro-economisch beleid), en neemt opnieuw de 4de positie in op de WEF Global Competitiveness Index.
Nederland heeft voor het tweede jaar achter elkaar een historische topnotering weten te behouden met een 4de positie in de ranking van meest concurrerende economieën. Hierdoor is Nederland opnieuw het meest concurrerende land van de Europose Unie. Wereldwijd zijn alleen Zwitserland (1ste positie), de VS (2de positie) en Singapore (3de positie) concurrerender. Professor Henk Volberda, hoogleraar aan de Rotterdam School of Management van de Erasmus Universiteit: “Het was exceptioneel dat Nederland vorig jaar een 4de positie innam van meeste concurrerende economieën. Nederland beschikt ook dit jaar weer over een sterke basis: een infrastructuur van wereldklasse (3de positie in de ranking), een goed functionerende overheid en instituties (4 posities gestegen naar de 7de plaats), een goed macro-economisch beleid met gezonde overheidsfinanciën (een stijging van 8 posities naar 14de plaats) en een kwalitatief hoogwaardige gezondheidszorg (4de positie).”

Naast een sterke basis beschikt Nederland nu ook over een innovatie-ecosysteem van wereldklasse
Dit jaar heeft Nederland volgens Henk Volberda opnieuw aanzienlijke verbeteringen laten zien: ‘De marktwerking is verbeterd (5de positie) en het is gemakkelijker om nieuwe bedrijven op te richten. Daarnaast is Nederland een van de voorlopers als het gaat om de toepassing van nieuwe technologieën die de basis vormen van de 4de industriële revolutie, zoals kunstmatige intelligentie, robotisering, Internet of Things, cloud computing en 3D printing.’ Bovendien stelt Volberda dat ‘bedrijven voor het eerst weer meer zijn gaan investeren in R&D (8de positie) en veelvuldig samenwerken met kennisinstellingen (5de positie) waardoor hun innovatie-vermogen aanzienlijk is verhoogd (6de positie) en zij in staat zijn nieuwe digitale verdienmodellen te ontwikkelen”. De snelle adoptie van nieuwe technologieën in de Nederlandse samenleving en toepassing binnen bedrijven leidt volgens Henk Volberda tot “een innovatie-ecosysteem dat Nederland in een uitstekende positie plaatst om maximaal te profiteren van de 4de industriële revolutie.’

Daling van kwaliteit hoger onderwijs is aandachtspunt
In schril contrast met de aanzienlijke verbeteringen op het gebied van innovatie staat de daling van Nederland op het gebied van kwaliteit van hoger onderwijs. Nederland is een plaats gezakt in hoger onderwijs en moet naast koplopers Singapore en Finland nu ook de VS voorlaten. Professor Henk Volberda stelt: ‘Nederland heeft nog steeds excellent hoger onderwijs, maar de instroom in het hoger onderwijs is afgenomen. Gezien de uitdagingen van de vierde industriële revolutie en de snelle uitholling van bepaalde kennis, vaardigheden en functies door robotisering en kunstmatige intelligentie zijn meer investeringen in het Nederlandse hoger onderwijs noodzakelijk. Niet alleen voor de jongere generatie, maar ook voor academische bij- en omscholing van de oudere generaties.’

Het gevoerde macro-economisch beleid van dit kabinet en de herstructurering van financiële markten, samen met hervormingen op de arbeidsmarkt hebben het internationale concurrentieniveau van Nederland aanzienlijk versterkt.

Het gevoerde macro-economisch beleid heeft geleid tot meer gezonde overheidsfinanciën (een stijging met 8 posities naar plaats 14 door een afnemend overheidstekort en dalende overheidsschuld). Ook de werking van de arbeidsmarkt is opnieuw verbeterd (13de positie). De kosten van aannemen en ontslaan (stijging van 15 plaatsen naar de 34ste positie) zijn gedaald en de flexibiliteit van de lonen is toegenomen. Ook de salarissen staan nu nog meer in verhouding met de geleverde productiviteit (stijging van 5 posities naar de 20ste positie). Professor Volberda stelt daarom dat “de Nederlandse arbeidsmarkt goed functioneert en verdere flexibilisering van de arbeidsmarkt in Nederland ongewenst is”. De werking van de financiële markten in Nederland is dit jaar sterk verbeterd (een stijging van 9 plaatsen naar de 28ste positie). Volberda constateert dat niet alleen de gezondheid van banken is verbeterd (stijging met 10 posities naar de 41ste plaats), maar ook vermogen van banken om relevante financiële dienstverlening te bieden voor het bedrijfsleven (stijging met 10 posities naar de 25ste plaats) en het beschikbaar stellen van risicodragend kapitaal voor ondernemers en startups (een stijging met 12 posities naar de 42ste plaats)

Flexibilisering van de arbeidsmarkt, gepaard met toenemende bescherming van werknemers leidt tot meer werkgelegenheid en minder ongelijkheid.
Vele West-Europese economieën hebben vanaf 1990 hun arbeidsmarkt hervormd en ingezet op een meer flexibele arbeidsmarkt. De opeenvolgende financiële kredietcrisis en technologische ontwikkelingen hebben geleid tot een tweede ronde van hervormingen van de arbeidsmarkt. De flexibiliteit van de arbeidsmarkten in de oudere EU-landen is daarom vanaf 2013 aanzienlijk toegenomen en vrijwel gelijk aan die van de nieuwe landen in de EU. Volgens professor Henk Volberda “hoeft een toenemende flexibilisering van de arbeidsmarkt niet altijd gepaard te gaan met afnemende bescherming van werknemers. Hoge niveaus van flexibiliteit van de arbeidsmarkt en toenemende arbeidsbescherming zoals in Denemarken, Noorwegen, Zweden en Nederland hebben juist bijgedragen aan meer werkgelegenheid en minder ongelijkheid”. Gezien de dreigende uitstoot van banen in de middenklasse en groei in het hogere en lagere segment stelt Volberda dat “overheden naast flexibiliteit en mobiliteit juist veel meer moeten inzetten op werknemersbescherming in de vorm van her- en bijscholing.”

Zwitserland heeft de koppositie weten te behouden en de VS is de nieuwe runner-up. Grootste stijger in de top-10 is Hong Kong (6de plaats), terwijl Singapore, Zweden, de UK en Japan allemaal een plaats zijn gedaald.
Door blijvende investeringen in talent en innovatie weet Zwitserland (1ste positie) de koppositie te behouden; het land heeft een nummer 1 positie op innovatie en het bedrijfsleven is het meest geavanceerd. De VS is gestegen naar de tweede plaats door de efficiënte markten, slimme en geavanceerde bedrijven en een krachtig innovatiesysteem. Toch blijft het land nog steeds achter lopen op basisfactoren zoals investeringen in primair onderwijs en gezondheidszorg. Singapore is gezakt naar de 3de plaats door achterblijvende innovatieprestaties en oplopende overheidsschulden. Duitsland behoudt haar 5de positie door blijvend te investeren in innovatie (5de positie) en een sterk ontwikkeld bedrijfsleven (5de positie) dat excelleert in de toepassing van hoogwaardige technologie en investeert in goed opgeleide medewerkers. Hong Kong is met 3 posities gestegen naar de 6de plaats. Het heeft de beste fysieke infrastructuur van de wereld, zeer efficiënte markten en een zeer flexibele arbeidsmarkt. De financiële sector is zeer ontwikkeld, maar innovatie blijft in Hong Kong toch enigszins problematisch. Ondanks het effectieve macro-economische beleid (afnemend overheidstekort) en een relatief sterke focus op innovatie en de adoptie van nieuwe technologieën is Zweden verder afgedaald naar de 7de positie. De hoge belastingtarieven, rigide arbeidsmarkt en toenemende schaarsheid van wetenschappers en ingenieurs beperken het concurrentievermogen van Zweden. Het Verenigd Koninkrijk is dit jaar met 1 positie gezakt naar de 8ste plaats. De snelle digitalisering van het bedrijfsleven, de geavanceerde bedrijfsprocessen en de flexibele arbeidsmarkt hebben bijgedragen aan een zeer concurrerende economie. Het gevolgde macro-economisch beleid en de lopende Brexit onderhandelingen hebben echter een negatief effect op het concurrentievermogen van het Verenigd Koninkrijk. Ondanks de hoge investeringen in R&D en de relatief grote beschikbaarheid van wetenschappers en ingenieurs is de Japanse economie met één positie gezakt naar de 9de plaats. De starre arbeidsmarkt en een lage participatie van vrouwen, de slechte macro-economische situatie en de gebrekkige marktwerking spelen de Japanse economie parten. Finland blijft de hekkensluiter van de Top-10. De afnemende export naar Rusland en afnemende vraag naar papier en elektronica remmen de Finse economie af. Toch is het indrukwekkend hoe de jongere generatie in Finland door nieuwe onderwijsmethoden wordt voorbereid op de 4de industriële revolutie. De substantiële investeringen in lager en hoger onderwijs (menselijk kapitaal) en innovatie zullen waarschijnlijk bijdragen aan een revitalisering van de Finse economie.

Naast westerse geavanceerde economieën zijn ook opkomende economieën steeds beter in staat om te innoveren.
Naast de gevestigde economieën zijn ook steeds meer opkomende economieën zoals China, India en in mindere mate Indonesië succesvol in het creëren van innovatie hotspots. De aard van innovatie is volgens Volberda veranderd; het is niet meer gedreven door enkele onderzoekers in een bedrijf of universiteitslaboratorium, maar veel meer een proces van co-creatie tussen onderzoekers op verschillende locaties. De positieve effecten van doorbraakinnovaties voor bedrijven en de samenleving zijn duidelijk zichtbaar in ontwikkelde economieën, maar blijven uit bij opkomende economieën. De maatschappelijke impact van innovaties in landen als China en India is vooralsnog zeer gering omdat bedrijven en mensen maar beperkt toegang hebben tot nieuwe technologieën.

Share.

Reageer

CAPTCHA Image

Reload Image